Meister Eckhart zei in de 13e eeuw: “Ik zou willen worden die ik was toen ik nog niet was.”  Friedrich Nietzsche adviseerde: “Du sollst werden der du bist.”  Wat bedoelden zij hier eigenlijk mee?

“O, dat verschrikkelijke tweede ik, dat steeds blijft zitten terwijl het eerste staat, doet, leeft, lijdt en tekeergaat. Dat tweede ik, dat ik nooit van zijn stuk heb kunnen brengen, of aan het huilen of in slaap! Zoals dat alles doorheeft! En overal mee spot!” (Alfonse Daudet vert. A.F.Th. van der Heijden)

Herken jij dat tweede ik? Dat tweede ik, dat bij Jan van Delden “in de achterste stoel” zit en van een afstand op mij neerkijkt. (Jan van Delden: Zelfrealisatie)

William James, grondlegger van de psychologie, beschreef als een van de eersten de tweedeling van het zelf in ‘IK’ en ‘mij’. Het zelf als kenner (IK) en het zelf als het gekende (mij). Het IK dat geen leeftijd of geslacht heeft, dat niet goed of slecht is, maar de waarnemer, onze continu sturende identiteit, aldus James.

En alhoewel er in ons taalgebruik slechts één ik is, zijn we in functioneel opzicht verdeeld in twee wezens. In de ik die doet, denkt en leeft. Het ‘pikkende vogeltje’ uit de Rig-Veda. En in “dat verschrikkelijke tweede ik” zoals Alfonse Daudet het beschrijft, “dat steeds blijft zitten terwijl het eerste staat, doet, leeft, lijdt en tekeer gaat”, het ’toeziende vogeltje’ uit de Rig-Veda.

Allemaal herkennen we zo’n tweedeling in ons. Een handelend, verouderend ik op de voorgrond en een nooit veranderende waarnemer op de achtergrond, die ik mijn hele leven al ken, die weliswaar wijzer lijkt te worden, maar niet veroudert.

Maar als ik nu moet worden die ik ben, wie van die twee ben ik dan echt? Wie moet ik dan worden? 

Soms praat ik tegen mezelf en moeten we allebei lachen.

“Je bent niet die je denkt dat je bent”, zei Wolter Keers hierover. (Wolter Keers: Vrij zijn) Wie ik denk te zijn, is de ‘ik’ die ik in de spiegel waarneem. Maar hier corrigeert Sartre ons door te zeggen: “Je kunt niet zijn wat je waarneemt!” Dan ben je dus de waarnemer. En wat je in de spiegel waarneemt is het waargenomene, ‘het spiegelbeeld van je lichaam’.

Driehonderd jaar na de beroemde uitspraak van René Descartes: “Ik denk, dus ik ben”, stelde Sartre dat Descartes erin geslaagd was om ons ‘ego’ bloot te leggen, want zei hij: “De waarnemer van ‘het denken’ [dus hij die vaststelt dat ‘ik denk’], is een ander dan de denker. Je kunt niet zijn wat je waarneemt.

Vergelijk de verwarring maar met wat René Margritte met zijn schilderijen zegt wanneer ik je vraag: “Wat is dit?”  Vertoond wordt een pijp met onderschrift: ‘ Ceci n’est pas une pipe.’

Dat wat ik waarneem is mijn ego, dat niettemin sinds jaar en dag met ‘ik’ wordt aangeduid en dat ik daarom dus ook denk te zijn. Maar, meer nog ben ik ‘de waarnemer’ van dat ego waarvan ik gebruik maak en dat dus ook iets van mij is.

Dus: Ik ben beiden. Ik ben zowel de waarnemer als mijn waargenomen ego. Ik ben Ego-Plus.

Meer nog ben IK, als ‘plus’, het ‘gewaarzijn’ van mijn ego in zijn omgeving. IK ben het ‘bewuste’ gewaar zijn van ‘de wind door mijn haren’, de ‘bewuste’ waarnemer van ‘het geluid van de motor’ en de ‘bewuste’ waarnemer van de gedachten in mijn hoofd en de emoties in mijn lijf. IK ben ook de luisteraar naar de stem in mijn hoofd.

Voor ons is heel verwarrend dat ons ego alléén geen ‘ik’ is, terwijl we er toch zo over spreken. Mijn ego is niet ‘iemand’, net zomin als het ego van een chimpansee. Dus in feite is er niet ‘iemand’, met de naam ‘ik’ in het centrum van de ervaring. Er is alleen ‘het waarnemen’ van een functionerend ego, van ‘mijn ego’, mijn lichaam en mijn brein. Het ego, lichaam en brein waar IK op toezie en dat in zekere zin van Mij is.

Dick Swaab stelde: “Wij zijn ons brein”, maar we ‘zijn’ ons brein niet, wij ‘hebben’ een brein wat we kunnen waarnemen. En nogmaals: “Je kunt niet zijn wat je waarneemt.” Er is alleen ‘gewaarzijn’ én dat wat waargenomen wordt. En wat waargenomen wordt zijn de zintuiglijke waarnemingen van mijn niet bewuste ego, naast de lichamelijke emoties en de gedachten, het stemmetje en de verhalen van mijn brein.

Deze voyeur, dit ‘gewaarzijn’, wordt door ons veelal ‘zelf’-bewustzijn genoemd, ofschoon Margritte ook van dit waargenomen ‘zelf’ zou zeggen: “Ceci n’est pas moi-même”.

Mijn ‘IK’ is het ‘gewaarzijn’ of bewustzijn. En bewustzijn is misschien wel onze ziel. ‘Mijn alledaagse ik’ evenwel is de synthese van de waarnemer en het waargenomene. ‘IK’ en ik. Of zoals William James en Alfonse Daudet stelden, ik heb en ben ‘twee zelven’. Mijn uiteindelijke wezen is twee in één, de som van ‘ik’ en IK, de ritssluiting of twee onder één kap. Ik ben: Ego-Plus.